top of page

Bloed is dikker dan competentie. En dat is precies het probleem.

  • 10 uur geleden
  • 3 minuten om te lezen

Ook de maffia is een familiebedrijf. Het is een observatie die de Financial Times begin deze maand bewust hanteert om de romantiek rond bedrijven in handen van een familie te doorbreken. En de Trumps runnen er nu een, de VS, voegt hoogleraar Marco Becht van de Université Libre de Bruxelles toe op een recent congres van IESE Business School Barcelona en het European Corporate Governance Institute. Familieondernemingen kennen purpose, geduldig kapitaal en een langetermijnvisie. Het hangt er alleen van af: van én voor welke familie.


De mythe is hardnekkig. Een onderneming met een achternaam op de gevel zou per definitie warmer, wijzer en wendbaarder zijn dan een doorsnee bedrijf. Fentener van Vlissingen, Bonnier, Wallenberg, Brenninkmeijer, Zegna, de aansprekende huizen leveren het bewijsmateriaal voor een prettig verhaal. Tussen die toppers en de Sacklers van Purdue Pharma, of de Trumps, ligt echter een breed grijs gebied waarin het gros van de Nederlandse familiebedrijven opereert. En in dat grijze gebied speelt zich een fenomeen af waar zelden over wordt gesproken: het achternaamplafond.


De FT haalde er een working paper bij van de onderzoekers Bennedsen, Tsoutsoura en Wolfenzon. Bijna twintig jaar aan Deense data, gekoppeld aan schoolresultaten en loopbaangegevens. De voorlopige uitkomst is op zijn minst opmerkelijk: medewerkers van familiebedrijven scoren gemiddeld lager op intelligentie dan vergelijkbare collega’s elders, en het verschil is op de hogere managementlagen het grootst. De slimste mensen mijden het familiebedrijf, omdat ze er minder kunnen doorgroeien en minder verdienen. Het glazen plafond kennen we. Dit is een nieuwe variant. Niet zichtbaar, wel voelbaar, en dan opeens weet iedereen in het pand precies waar het hangt.


Gildo Zegna, kleinzoon van de oprichter, zal het ontkennen. Hij heeft net zijn twee zonen tot co-leiders van het hoofdmerk gepromoveerd en verklaart in datzelfde adem dat familiebedrijven juist vrij zijn van politiek, niemand kan zich er verstoppen, er wordt de waarheid gesproken. Het is een ontroerend zelfbeeld. En wat een klinkklare onzin. Van Odyssee tot Succession draait de wereldliteratuur op familiepolitiek, of beter, familie-intriges. En wie ooit aan een bestuurstafel zat waar de zoon van de oprichter zijn debuut maakte, kent het ongemak: niemand zegt iets. Niemand durft.


In mijn praktijk ben ik dit thema bij familiebedrijven helaas maar al te vaak tegengekomen. En kom het nog steeds tegen. De vraag is altijd dezelfde, hoe zorgvuldig ook verpakt: krijgt het familielid voorrang, of niet? Het antwoord is statistisch volstrekt helder. Een gezin telt twee of drie kinderen. Een familie die al generaties lang een bedrijf in handen heeft, telt er misschien tientallen. Edoch, de arbeidsmarkt telt er miljoenen. De kans dat de objectief beste kandidaat voor een leiderschapsrol toevallig binnen de familie te vinden is, is verwaarloosbaar klein. De wet van de grote getallen is daarover ondubbelzinnig en heeft geen boodschap aan sentiment.


De enige serieuze remedie is governance. Een stevige, driedelige structuur waarin de rollen scherp gescheiden zijn: een STAK die het aandeelhouderschap belichaamt, een Raad van Commissarissen die toezicht houdt, en een statutaire directie die leidt. Zware mensen van buiten de familie op iedere positie waar dat kan. Niet uit wantrouwen jegens de familie, maar uit liefde voor de onderneming, en uiteindelijk juist uit liefde voor de familie. Het familiebelang en het ondernemingsbelang lopen niet altijd parallel. De tripartite structuur dwingt iedereen tot helderheid over welk belang op welk moment doorslaggevend is.


En blijkt in die zuivere procedure de beste kandidaat toevallig een familielid? Prachtig. Dan staat hij of zij er op eigen kracht. Dat is een aanzienlijk steviger startpunt dan welke achternaam dan ook. Overigens, deze voorbeelden zijn er, en ook buitengewoon succesvol. Maar het zijn uitzonderingen.


Samengevat: het familiebedrijf is niet moreel superieur en kent geen automatische excellentie. Het is een eigendomsvorm. De toegevoegde waarde, geduldig kapitaal, lange adem, identiteit, is reëel, maar geldt alleen voor wie de discipline opbrengt om de eigen kring niet voor te trekken. Wie dat niet doet, betaalt de prijs in middelmaat op cruciale posten, een braindrain richting de concurrent en, vroeg of laat, het soort opvolgingsstrijd waarvoor in de wereldliteratuur de blauwdrukken voor het grijpen liggen. Een onafhankelijke STAK, een onafhankelijke RvC en een statutaire directie die op merites is geselecteerd: het is geen luxe. Het zijn de minimumvoorwaarde, het uitgangspunt voor een familiebedrijf dat over één en twee generaties nog steeds zo wil heten. 


Weet je welkom om van gedachten te wisselen over het vinden en selecteren van de beste, juiste kandidaten voor leiderschapsrollen in je organisatie.


Warme groet,

Aege

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page